A Series Of Unrelated Events

De Kronieken van Joep

Een Heliosverhaal

Voor Thomas

“Nants ingonyama bagithi baba
           Sithi uhhmm ingonyama”
          – onbekend

Voorwoord

Met heel veel trots kijken we naar het eindproduct van dit grandioze project. Met zestien jonge virtuozen is een zeer lumineus boek tot stand gekomen. Al sinds jaar en dag zijn wij van Helios van mening dat chronologie en aaneensluiting van teksten een zeer overgewaardeerd aspect van de literatuur is. Derhalve hebben we ons voor dit verhaal niet laten belemmeren door zaken zoals ‘logica’ of nog erger ‘begrijpelijkheid’. Het eindresultaat is dit schitterende epos over Joep, dat de lezer uitdaagt om samen met hem de hoogste pieken te beklimmen, de diepste water in te duiken en dan vervolgens diezelfde hoge piek weer te beklimmen, aangezien daar een raket wacht die hem naar het ISS zal brengen.

Recensies:

“Een verbluffend debuut dat zich niet verplicht voelt de lezer bij de hand te nemen” -De Volkskrant *****

————————————————————————————————————-

“Ik dacht dat ik wist hoe ik absurd moest schrijven totdat ik dit  meesterwerk in handen kreeg” – Franz Kafka *****

————————————————————————————————————-

“Een tijdloze klassieker waar we het nog lang over zullen hebben”- Cicero ****

————————————————————————————————————–

“Als ik had geweten dat ik dit naar boven kon halen bij mensen was ik eerder langsgekomen” – Corona *****

————————————————————————————————————

“Nice– Sam Goutbeek ***

————————————————————————————————————-

1

Op een zwoele donderdagavond ergens begin september zat Joep op het kleine balkon van zijn nieuwe studentenkamer in Amsterdam. Hij staarde voor zich uit met één oortje in zijn oor, waaruit de dramatische muziek van Coldplay klonk. Voor hem stond een pizza salami, die ondertussen vrij koud was geworden. Hij was nerveus en had daardoor niet echt eetlust. Binnen een half uur moest hij op zijn fiets vertrekken richting de borrel van de studievereniging. Het was de eerste keer in een best lange tijd dat hij naar zo’n evenement ging. Erg sociaal was Joep niet ingesteld, hij had niet echt vrienden op de middelbare school en de zomervakantie had hij gebruikt om opnieuw alle seizoenen van Game of Thrones te bekijken.
            Ook de eerste lesdag was een ramp geweest. Tijdens het kennismaken hadden ze groepjes moeten vormen. Hij gooide al vrij snel de cappuccino om die hij in de kantine had gehaald waarbij er ook een beetje op een van zijn medestudenten naast hem terecht kwam. Hij had uiteraard een aantal keer zijn excuses aangeboden, maar het enige wat hij terug kreeg was een diepe zucht. Tijdens de colleges op dinsdag en woensdag zat hij alleen. De borrel leek hem een bijzonder geschikt moment om nieuwe mensen te leren kennen en eindelijk wat vrienden te maken. Hij had ook besloten dat hij vanavond voor het eerst bier zou drinken.
            Om kwart voor acht liep Joep de trap van zijn containercomplex af. Hij had nog een tijd getwijfeld over wat hij aan zou trekken, maar was uiteindelijk voor een simpele roze polo gegaan. Hij had zijn baard laten staan, waar hij nu spijt van had, want het zag er bij hem altijd een beetje onverzorgd uit. Hij probeerde het te compenseren met veel deodorant.
             Zijn fiets stond als enige netjes geparkeerd in de fietsenrekken. Zijn grijze Swapfiets stond keurig op dubbelslot aan het fietsenrek vast. Hij stopte zijn oortjes weer in zijn oren en zette het laatste album van Coldplay weer aan. Hij sprong op zijn fiets en maakte wat vaart. Hij had de route naar het café een paar keer bekeken van tevoren, dus hij had het gevoel dat hij wel wist waar hij heen moest. Onderweg vond hij het vrij soepel gaan, tot hij bij een rotonde kwam die hij zich niet meer kon herinneren. Ondanks de boete die hij riskeerde door zijn telefoon te pakken tijdens het fietsen, opende hij Google Maps om te bekijken welke afslag hij moest nemen. Toen hij weer opkeek van Google Maps en zijn telefoon weer in zijn jaszak deed, zag hij van rechts een fietser heel snel naderen die niet meer leek te kunnen remmen.

2

Een paar seconden lang besefte Lara niet wat er nou zojuist gebeurd was. Er lag een jongen half over haar heen. Toen ze naast zich keek, zag ze hun fietsen naast zich liggen. Eindelijk herinnerde ze zich weer wat er was gebeurd. Ze was op weg geweest naar de borrel van de studievereniging, haar eerste van dit jaar. Ze had haast gehad, want ze had samen met Jade afgesproken om er al om 8 uur te zijn.

Ondertussen was de jongen die op haar lag ook weer begonnen met bewegen. Gelukkig, dacht Lara, dan kan ik snel weer weg. De jongen stelde zich voor als Joep en zei: ‘Jeetje, wat kwam jij met een rotgang aanzetten.’ ‘Ja,’ zei Lara, ‘ik had haast.’ Terwijl ze dat zei probeerde ze op te staan, maar toen ze haar hand onder haar hoofd vandaan haalde, zag ze dat er bloed op zat. Nou, die borrel kan ik vanavond wel weer vergeten, dacht ze. Joep zag nu ook dat Lara’s hoofd bloedde. Bezorgd boog hij over haar heen en zei: ‘Ik denk dat we hier even mee naar het ziekenhuis moeten.’ Lara keek omhoog en bekeek de jongen boven haar nog eens een keer goed. Hij kwam haar bekend voor, maar ze wist niet waarvan.                                                                                                                

‘Hoezo we? Ik fietste te hard dus ik heb dit volkomen aan mezelf te danken,’ mompelde Lara. Wees maar blij dat jij er niets aan over hebt gehouden, dacht ze er nog achteraan. Ze zat niet te wachten op een opdringerige jongen. Ook al was Joep dan wel precies haar type, ze was vastbesloten om zich compleet te richten op haar studie dit jaar.

Helaas zag ze dat Joep zijn keuze al had gemaakt. ‘Ik was toch alleen maar op weg naar een borrel, en daarbij, ik kan jou hier toch niet zo achterlaten? Je kan wel een hersenschudding hebben!’ zei hij vastberaden. Dat hij naar een borrel ging, trok Lara’s aandacht, en ze vroeg: ‘Wat voor soort borrel?’ ‘Van een studievereniging, van Nederlands, ’ zei hij. ‘Niet van een studentenvereniging, hoor!’ voegde hij er haastig aan toe, toen Lara haar wenkbrauwen optrok. Gelijk wist ze waarvan ze hem herkende. Ze deden dezelfde studie, en hij was een eerstejaars. Hij moest de verlegen jongen zijn die ze had gezien tijdens de introductieweek, toen ze hielp bij een aantal activiteiten. Toch besloot ze om nog niet te zeggen dat ze waarschijnlijk naar dezelfde borrel op weg waren geweest. Dat zou altijd nog van pas kunnen komen.



3

De inschrijving voor Nederlands was drie jaar geleden een reactie geweest op het uitdrukkelijke verzoek van haar vader om eens iets te gaan studeren waar geld in zat. Opgelucht had hij opgemerkt dat hij altijd vacatures voorbij zag komen voor het onderwijs: ‘dit is het juiste moment om in te stappen.’ Hij had, slechts zijdelings mijn kant uit kijkend, trots iets tegen zijn vrienden gepreveld over ‘een gat in de markt zien’ en iets ‘wat gewoonweg in de aderen zit’. Toen de weinig subtiele zelffelicitatie ten einde was, had ze gezegd dat de wereld in de fik stond en dat ’t sexy fokschaap niet zou gaan helpen blussen. ‘Onderzoeksjournalistiek,’ ze nam een slok van de lauwe mojito en wees op het vuistdikke Laura H., dat een paar uur eerder door haar vader uit het cadeaupapier was getrokken. Sinds zijn verjaardag had het boek altijd ongelezen onder de koffietafel, waaraan nooit iemand zat, gelegen. De rug nog gaaf, onmogelijk voor een boek van 538 pagina’s wanneer je het zou lezen. Die avond was ze naar het station gefietst op de fiets die haar middelbareschooltijd trouw had doorstaan, ze had niemand verteld dat ze vandaag de sleutel van haar studio had gekregen en twee muren oranje had geverfd.

            Op de eerstehulppost was te ruiken dat er vanavond stamppot was geserveerd. Hierbinnen bestaan  de seizoenen niet, dringt tot niemand door dat de zomer salades serveert en alleen de winter snakt naar een kuiltje jus in alles wat prakbaar is. Ze voelde de wond achter haar oor kloppen en rekende uit dat de laatste tetanusinjectie die ze kreeg al meer dan vijf jaar geleden was. Joep stond bij de koffieautomaat, nadat hij een dik kwartier had gewacht tot zeker weten niemand aanstalten maakte om er naartoe te lopen. Toen de hele wachtruimte voorzien was, had hij zijn kans eindelijk schoon gezien.  Iedere dertig seconden schoten zijn ogen haar kant uit terwijl het bekertje traag werd gevuld. Hij was het type jongen dat op een verjaardag vraagt of hij de schaaltjes met borrelnootjes nog kan bijvullen. Terwijl hij haar het bekertje overhandigde, verontschuldigde hij zich en pakte hij zijn telefoon om zijn vrienden te laten weten er later te zijn.

‘Zit er nu ook niet iemand op jou te wachten?’ vroeg hij, terwijl hij scrolde om de juiste groepschat te vinden (bleek ‘Neerlandikussen’).

‘Mijn vrienden rekenen er altijd op dat ik een uur later kom, dus voorlopig maken ze zich nog geen zorgen. En twee hechtingen zijn nog geen tien minuten werk,’ ze roerde in de koffie en zag nog wat vlokjes melkpoeder verwoede pogingen doen zich met de automaatkoffie te mengen.

‘Jij bent duidelijk niet bekend met het tijdsbesef dat heerst op de eerste hulp: een uur verstrijkt hier twee keer zo traag,’ met het plastic lepeltje deed hij een trage klok na.

‘Dus daarom ruikt het hier zo naar de winter?’

‘Exact,’ hij klemde het lepeltje tussen zijn tanden zoals een professor in de natuurkunde met een dure pen zou doen nadat hij zijn studenten de grondbeginselen van de snaartheorie had uitgelegd.  Ze pakte haar telefoon uit haar tas en maakte tevreden haar locatie kenbaar voor haar contacten. Denkend aan de twintig oproepen die haar moeder straks tevergeefs zal plegen, zette ze haar telefoon in vliegtuigstand.

4


Het was een besluit waarop ze gedurende vele momenten in haar latere leven met intense spijt terug zou kijken. Enkel de aanblik van dat lullige vliegtuigsymbooltje zou voldoende zijn om haar diepgewortelde gevoelens van zelfverwijt te doen herbeleven die nooit geheel zouden verdwijnen. Als tachtigjarig vrouwtje zou ze het tot vervelens toe aan haar kleinkinderen toevertrouwen: ‘als oma toen toch maar niet haar telefoon op vliegtuigstand had gezet…’ Later zou ze dat inzicht hebben. Maar nu nog niet. Nu stond ze op een naar stamppot ruikende Eerste Hulppost onvrijwillig een gesprek te voeren met Joep, en zette ze verstrooid haar telefoon in vliegtuigstand.
            In eerste instantie ondervond ze geen gevolgen van dit besluit. Joep emmerde nog een tijdje door over de verschillen in tijdverloop binnen en buiten de Eerste Hulp, terwijl hij af en toe om zich heen spiedde om vast te stellen of ergens nog een schaal borrelnootjes kon worden bijgevuld. Op de Eerste Hulp bevonden zich natuurlijkerwijs geen schalen met borrelnootjes, maar aangezien Joep nu eenmaal het type jongen was dat extatisch werd van het bijvullen van schalen met borrelnootjes, wilde hij zeker weten geen onvoorziene kansen mis te lopen. Toen Joep voor de vierde keer zijn ogen van haar losmaakte om de ruimte te scannen op eventuele schalen met borrelnootjes (of juist zonder borrelnootjes, zodat ze aangevuld konden worden), zag ze haar kans schoon en ging een meter of vier verderop staan.
            Helaas was Joep niet het type persoon dat erg ontvankelijk was voor subtiele signalen. Joep was eerder, tsjah, er zijn nu eenmaal weinig andere manieren om dit te omschrijven: het type persoon dat een onbeschrijflijk genot ontleende aan het bijvullen van schalen met borrelnootjes. Er was eigenlijk maar één signaal dat Joep kon doen begrijpen dat een persoon niet beschikbaar was voor een gesprek, en dat was wanneer de persoon in kwestie reeds met iemand anders aan het praten was. Wanneer die persoon aan het telefoneren was, bijvoorbeeld: Joep moest er toch echt niet aan denken iemand te storen die in gesprek was met, noem eens wat – een familielid. Maar zij was met niemand aan het telefoneren. De twintig oproepen van haar moeder ontgingen haar. Haar telefoon stond immers in vliegtuigstand.
            Die verdomde vliegtuigstand.
            Op het moment dat Joep wederom de afwezigheid van schalen met borrelnootjes voor zichzelf had bevestigd, legde hij dus onbekommerd dezelfde vier meter af die zij zojuist bij hem vandaan was gestapt en hervatte het gesprek:
            ‘Zeg, die wond die je hier moet laten hechten, hè – hoe zei je nou dat je die had opgelopen?’
            Ze had haar mond al opengedaan om zijn vraag te beantwoorden toen plotseling tot haar doordrong dat ze het antwoord zelf ook niet kende. Ze besloot dan maar een wedervraag te stellen.
            ‘Had ik je dat al verteld, dan?’
            ‘Dat dacht ik,’ zei Joep wat vertwijfeld. ‘Maar nu je het vraagt, weet ik het niet meer zo zeker.’
            ‘Waarom ben jij hier eigenlijk?’
            ‘Ik, eh. Ja. Hm.’ Joep trok een moeilijk gezicht. ‘Ik zal daar ook wel een legitieme reden voor hebben, lijkt me. Als ik heel eerlijk ben: ik lijk voortdurend dingen te vergeten vandaag. Ik voel me niet… mezelf. Alles is een beetje wazig sinds vanochtend.’ Zijn ogen vernauwden zich. ‘Ik bedenk me ineens: zouden ze hier vandaag ook niet het 5G-netwerk uitrollen?’
            Even zwegen ze. Haar hoofd stroomde over met flarden van gedachten: ‘5G’. ‘Dingen vergeten’. ‘Niet mezelf’. Een afschuwelijk complot leek zich in al zijn lelijkheid aan haar te openbaren. Ze kreunde, verlangend naar die vredige onwetendheid waarin ze kort tevoren nog had geleefd, voordat Joep de kans had gezien om haar op te zadelen met deze verschrikkelijke kennis. Had hij haar nou maar met rust gelaten. Was ze nou maar met iemand anders in gesprek geweest. Met haar moeder, wellicht. Als ze haar telefoon nou niet in vliegtuigstand had gezet…
           

De stilte werd verbroken door het gekraak van een voordeelverpakking Duyvis Sweet Paprika (Oven Roasted) die Joep gespannen uit zijn rugzak viste.
            ‘Wil je misschien een borrelnootje?’

5

Joep reikte haar het zakje borrelnootjes aan, maar ze bleef in de verte staren. Ze had helemaal geen honger. Ze wilde niet luisteren naar Joeps verhalen over verschillende nootjes op verschillende feestjes. Ze wilde niet denken aan de naald waarmee haar wond gehecht zou moeten worden. Ze wilde niet staren in de richting van de receptioniste die haar kauwgom alle hoeken van haar mond liet zien.
            Maar goed, de andere kant op stonden twee moeders met een jankend kind in hun armen, dus dat was een evenmin prettig gezicht. Ze wilde eigenlijk helemaal niks. Ze pakte haar telefoon erbij om Joep verder te kunnen negeren. De telefoon eenmaal unlocked zag ze tot haar verbazing dat deze op vliegtuigstand stond. Wanneer had ze dat dan gedaan? Het was niet alsof ze daadwerkelijk had gevlogen, toch?
            Twintig gemiste oproepen van haar moeder. Jeetje, hoe kon ze die gemist hebben. Verward belde ze terug, maar ze ging meteen naar de voicemail. ‘Joep, heb jij misschien contact gehad met mijn moeder?’ vroeg ze. Joep dacht even na, maar veranderde snel van onderwerp. ‘Ze zouden hier echt borrelnootjes moeten hebben, op de Eerste Hulppost. Vind je niet?’ zei hij enthousiaster dan hij waarschijnlijk bedoeld had. 
            Laat maar gaan dacht ze. Ze keek om zich heen naar de andere patiënten die zich hier verzamelden. Er was iets geks. Iets klopte er niet, maar het duurde een paar minuten tot het tot haar doordrong. Niemand was op zijn telefoon bezig. Zelfs de receptioniste hield alles schriftelijk bij. Anno 2020 was dat toch gek. Zeker op de Eerste Hulppost verwacht je dat mensen contact zoeken, met familie, vrienden – even laten weten of je oké bent…
            Ze wilde Joep weer vragen of hij wist hoe zij de wond had gekregen, maar hij was verdwenen. Naar de wc misschien? Haar zak begon te trillen. ‘Mama belt…’ stond er midden op het scherm. Voor vijf secondes, toen verdween het. Dan maar terugbellen. Maar net toen ze op de groene knop wilde drukken, viel haar telefoon uit. Dat was gek, dacht ze. Haar telefoon had nog 73% de laatste keer dat ze keek. Zei Joep net niet iets over 5G? En dat hij zich ook niet echt zichzelf voelde? Hij was nog steeds weg.
            Haar telefoon was net opnieuw aan het opstarten toen een van de artsen aan kwam lopen. Naast hem liep een man in pak. Zeker één meter negentig, donker haar, strenge blik. Hun ogen kruisten elkaar. De man in het pak keek snel weg en begon tegen de arts te smoezen. De arts knikte, maar oogde niet heel zelfverzekerd. Toen verdween de man in het pak met snelle passen. De arts keek op zijn klapbord, toen strak naar haar en noemde haar naam. Hoe wist hij dat zij het was? Zou hij per ongeluk de naam bij de goede persoon geplaatst hebben? Ze keek om zich heen of ze Joep nog zag, maar die was nog steeds niet terug.

6

‘Zo mejuffrouw, we gaan uw wond eens hechten,’ zei de dokter tegen haar. Ze liep achter hem de behandelkamer in. Wat haar meteen opviel was de antieke klok die in de kamer stond. ‘Bijzonder exemplaar,’ dacht ze, ‘hij lijkt net nieuw.’ Haar moeder verzamelt antiek, dus daar weet ze wel het een en ander over. ‘Neem daar maar plaats, ik ga je eerst even verdoven.’ Een rilling ging langs haar ruggengraat, ze had een hekel aan naalden. De arts prikte de naald net naast de wond en duwde de vloeistof naar binnen. Toen dat gedaan was legde hij uit dat lidocaïne even tijd nodig heeft om in te werken. Hij keek op zijn zakhorloge en zei: ‘Blijf maar rustig zitten, ik ben zo terug.’

            ‘Waar blijft Joep toch,’ mompelde ze in zichzelf. Ze wilde aan hem vragen of hij nog weet hoe ze aan die wond is gekomen. En graag heeft ze hem naast haar zijde als de wond gehecht wordt; ze vindt het toch maar spannend. Terwijl ze wachtte tot de dokter terug kwam, keek ze nog wat rond in de behandelkamer. ‘De dokter leeft echt in een andere tijd,’ dacht ze toen ze behalve de antieke klok ook nog een typemachine en grammofoonplaat ontdekte. ‘En dat zakhorloge ook, wie gebruikt zoiets nou nog?’ 

            De dokter kwam terug na wat een eeuwigheid voelde. Met de achterkant van de naald prikte hij zacht rond de wond om te kijken of de verdoving zijn werk deed. Ze zei dat ze niks voelde. ‘Kunnen we niet wachten tot Joep terug is?’ vroeg ze. ‘Ehm.. Nee, nee dat zal niet gaan,’ stamelde de dokter. Ze keek weg terwijl de dokter begon met hechten. Ze dacht aan hoe ze Joep terug kon pakken.

‘Zo, dat is klaar. Ik wil graag voor volgende week een vervolgafspraak maken om te kijken hoe de wond herstelt. Schikt u het middaguur op donderdag?’ ‘Dat is goed, ik zet het in mijn agenda,’ antwoordde ze. Ze pakte haar telefoon erbij. Ze zag dat ze nog steeds geen bereik had, wat irritant zeg! De dokter zette zijn bril af en keek naar wat ze aan het doen was. Ze vond het erg onbeleefd hoe hij zo aan het gluren was.‘Ehm, ik ben zo terug, ik moet even iets regelen. Blijf hier maar zitten,’ zei de dokter. Gek vond ze dat, ze waren toch al klaar?

Na een tijdje kwam de dokter terug en zei dat ze klaar is om de Eerste Hulppost te verlaten. ‘Ik laat u wel even uit, mejuffrouw,’ zei hij terwijl hij achter haar aan liep. In de wachtkamer keek ze nog even rond of ze Joep zag, maar hij was nergens te bekennen. Ze wilde de dokter bedankten waarop hij zei: ‘Geen dank, maar ik loop nog even met u mee naar buiten.’ Gek vond ze dat, maar goed, moet hij zelf weten toch. ‘Hé Joep!’ riep ze uit toen ze naar buiten liep. Joep stond daar, samen met de man in pak die ze eerder in de wachtkamer met de dokter had zien smoezen. ‘Wat gebeurt hier toch?’ dacht ze, en ze wilde zich omdraaien omdat ze het niet vertrouwde. Maar vlak achter haar stond de dokter met nog een andere man in net zo een zwart pak. ‘Wat is hier aan de hand?!’ riep ze uit. Pas toen zag ze wat de dokter in zijn hand had. Een glinsterende naald groter dan elke naald die ze ooit heeft gezien!



7

De dokter hield de zilveren naald triomfantelijk omhoog. ‘Fijn dat jullie konden komen heren. Zo’n indrukwekkende prestatie als deze heb ik in de veertig jaar dat ik werkzaam ben in dit ziekenhuis niet eerder meegemaakt. Al vanaf de dag dat ik de eed van hippocrates aflegde kijk ik uit naar de dag dat ik de zilveren naald mag uitreiken aan de persoon die een medisch wonder verricht. Mijn vader ging u vijfenvijftig jaar geleden al voor. Joep, deze trofee is voor jou.’ De mannen in de zwarte pakken applaudisseerden en klopten Joep op zijn schouders.

‘Ehm.. dank u wel,’ stamelde Joep. ‘Ik weet eerlijk gezegd niet helemaal waar ik dit aan verdiend heb.’ Hij keek ongemakkelijk om zich heen. ‘Ach jongen,’ zei de dokter, ‘je hoeft niet zo bescheiden te doen. Wat jij hebt neergezet is, hoe zal ik het zeggen,  bovennatuurlijk.’
            Samen met het meisje wiens naam Joep even niet te binnen schoot, liep hij even later door een van drukste straten van de stad. Het viel hem op dat ze hinkte. Haar linkervoet raakte bij elke stap maar heel even de grond. Het was duidelijk dat ze pijn had. ‘Heb je pijn?’ vroeg Joep toen ze stonden te wachten bij een stoplicht. ‘Ja natuurlijk heb ik pijn Joep, de wond is pas net gehecht. Ik had het trouwens erg gewaardeerd als je er bij was geweest. Had je niet even mee naar binnen kunnen gaan?’
            Hij wilde zich excuseren maar wist eigenlijk niet goed wat hij fout gedaan had.  Een vreemde kan toch niet van je verlangen dat je bij haar operatie aanwezig bent?

‘Groen,’ was het enige wat uit zijn mond kwam.

‘Wat?’

‘We mogen oversteken.’

‘Joep, laten we naar huis gaan. Ik ben moe. Houd jij even een taxi aan?’

Al snel werden ze opgepikt door een kleine zwarte taxi. De chauffeur knikte hun vriendelijk toe toen ze instapten. Toch voelde Joep zich niet op zijn gemak in de hete auto. Hij zat op de achterbank met een meisje dat hij niet herkende en hield op zijn schoot de glimmende trofee die hij om onduidelijke redenen had verdiend. Het meisje haalde een telefoon uit haar broekzak en hield hem aan haar oor. Een schelle stem schreeuwde vanuit het toestel. ‘Ja sorry hoor,’ zei het meisje, ‘het duurde allemaal wat langer, maar we zijn onderweg.’ Vanaf de bestuurdersstoel klonk ineens de stem van de taxichauffeur: ‘Waar kan ik jullie naar toe brengen?’
            Joep keek naast zich maar het meisje was druk in de telefoon aan het praten in een taal die hij niet kende. ‘Wat zegt u?’ vroeg Joep. ‘Waar jullie heen willen,’ antwoordde de taxichauffeur. Joep keek naar het meisje maar ze was zich nergens van bewust en wreef over haar pijnlijke voet. Haar gezicht vertrok van de pijn. ‘Naar huis,’ antwoordde hij. De chauffeur liet een daverende lach horen. ‘Nee maar even serieus, ik moet zo wel een richting kiezen. Waar wonen jullie?’ Het zweet brak hem uit, de zilveren naald werd nat van zijn klamme handen.
            ‘Ehm.. u kunt hier wel stoppen hoor,’ stamelde Joep. De taxi minderde vaart en gehaast opende Joep het portier. Het meisje stopte haar telefoon weg en keek hem verbaasd aan. Hij stopte de chauffeur een tientje toe en stapte uit, de brandende zon in. Voordat hij de deur dichtsloeg riep het meisje ‘Joep! Wat doe je?’ 

8

Joep besteedde geen aandacht aan de vraag van het onbekende meisje en liep stug door. Hij banjerde door de drukke straten van de stad zonder doel. Hij wist niet wat er aan de hand was, waar hij die zilveren naald in zijn hand aan verdiend had en wie dat meisje toch was en waarom ze mank liep. Er moest iets gebeurd zijn, maar wat?
            Joep werd opgeschrikt uit zijn overpeinzingen door een stem. ‘Joep, wat ben je in vredesnaam aan het doen?! Stap in, we moeten naar huis!’ riep de stem. Joep keek om en zag een taxi voorrijden met het onbekende meisje erin. Hij zuchtte diep. Hij wilde eigenlijk niet in een snikhete taxi zitten met een onbekend meisje op weg naar een onbekende bestemming. Maar misschien was ‘naar huis’ wel een goed startpunt om te ontdekken wat er gebeurd was. Waar ‘thuis’ dan ook mocht zijn. Dus stapte hij in.
            Het was een lange rit. Een rit met nog meer overpeinzingen voor Joep. Hij had het warm en was ongelooflijk in de war, maar probeerde zichzelf gerust te stellen door het vooruitzicht van ‘thuis’. Dat zou hij toch zeker wel herkennen en dat zou zijn geheugen opfrissen. Hij zou zijn excuses aanbieden aan het meisje voor zijn vreemde gedrag en hij zou waarschijnlijk euforisch zijn over het krijgen van die zilveren naald. Maar zeker wist hij het niet.

De taxi remde langzaam af en stopte langs de stoep voor een groot herenhuis. Joep wist niet wat hij zag. Aarzelend stapte hij uit en hield het portier open voor het meisje. Het leek hem wel zo aardig om haar te helpen de auto uit de komen, ook al wist hij niet wat hij van haar was. Langzaam liep hij naar het immense huis toe en ging voor de voordeur staan. Het meisje keek ongeduldig naar hem. ‘Ga je de deur nog open doen? Ik wil graag naar binnen.’ Joep besloot op goed geluk in zijn broekzak te tasten en voelde een sleutel. Hij stak hem in het slot en draaide. De deur ging moeiteloos open.
            Joep moest moeite doen om de totale verbijstering op zijn gezicht te verbergen. Dit was immers zijn huis en waarom zou hij zo verbaasd zijn over de schoonheid ervan. Hij en het meisje stapten de hal in en zij liep gelijk door naar waar de woonkamer waarschijnlijk was. Joep had een momentje nodig om de omgeving in zich op te nemen. Hij stond op een wit marmeren vloer, zo glimmend dat hij zijn reflectie kon zien. Links van hem stond een houten dressoir tegen de muur. Dat moet bijna wel antiek zijn, dacht Joep. Hij durfde nog niet naar boven te lopen, maar de trap nodigde daar wel toe uit. Het was een imposante van donker hout gemaakte trap, met een rood kleed over de treden dat het idee gaf van een rode loper. Joep besloot het meisje achterna te gaan en verder het huis in te lopen.

Hij liep een kamer aan het einde van de gang in en zag haar daar zitten. De bank waarop ze zat vond hij achterlijk groot. Maar hij schudde die gedachte weer snel van zich af toen hij zich realiseerde dat hij die bank waarschijnlijk zelf uitgekozen had. Hij wist niet wat hem toen bezielde. Joep ging op diezelfde bank zitten en probeerde de feiten op een rij te zetten. Hij had die ochtend een zilveren naald in ontvangst mogen nemen, voor een medisch wonder. Was hij arts? Misschien. Dit ongelooflijke huis was van hem en hij deelde het waarschijnlijk met het meisje. Verdiende hij zoveel geld? En dat meisje. Ze was geopereerd geweest aan een wond. En ze had pijn. Zoveel wist hij. Het meisje was boos geweest dat hij niet bij die operatie was. Had hij daar geweest moeten zijn? Was hun relatie zo dat dat normaal was geweest? Wat was hij van haar? Hij had geen antwoorden en raakte in paniek als hij probeerde te bedenken hoe hij dit ging oplossen.


9

Het meisje had zich eerst vermoeid achterover tegen de rugleuning van de bank laten vallen en met haar middelvingers haar slapen gemasseerd, maar nu keek ze Joep onderzoekend aan. Als ze haar hoofd zo scheef hield en afkeurend fronste voelde Joep een instinctieve ergernis opkomen. ‘Als dit weer zo’n grapje van jou is, ben je echt een stap te ver gegaan.’ Haar opmerking had een beschuldiging moeten zijn, maar terwijl ze hem uitsprak leek ze zelf te beseffen dat Joep geen grap maakte. Maar Joep durfde het niet voluit te zeggen. Wat zou hij moeten zeggen? Dat hij niet meer precies wist wie zij was, wie hij zelf was, hoe ze elkaar kenden, in wiens huis ze zich bevonden en welk jaar het was? Ook het meisje leek te beseffen dat boos worden geen zin had en ze liet zich weer achterover zakken.

Ze liepen in de schaduw van hoge treurwilgen in het park dat grensde aan de enorme achtertuin van het herenhuis. Het gras was er kort gemaaid en het schelpenpad was zo strak aangeharkt dat Joep voorzichtig liep om er geen voetsporen in achter te laten. Joep voelde zich beter nu hij een koude douche had genomen en het buiten wat afgekoeld was. Het meisje had hem met weinig woorden over de chique trap naar de badkamer meegenomen, waar hij de ouderwetse douchekraan piepend had opengedraaid. Ze had een boxershort, een spijkerbroek en een wit t-shirt voor hem klaargelegd. Terwijl hij het vuil en opgedroogde zweet uit zijn poriën voelde stromen, hoorde hij het meisje beneden telefoneren.
            Na een paar minuten in vredige stilte door het park sjokken, voelde Joep dat het tijd was om te praten. Hij keek haar voorzichtig aan. Zonder naar hem te kijken zei ze met ingehouden, zachte stem: ‘Je zou er zijn om me te steunen bij de operatie. Je zou die prijs in ontvangst nemen en meteen komen.’
            Ze waren gestopt met lopen, Joep keek naar de kapotte schelpjes voor de voeten van het meisje.
‘Ik weet niet wat er gebeurd is. Ik weet denk ik in het algemeen even niet zo goed meer…’

“Het moest wel eens goed fout gaan met zo’n levensstijl als die van jou,” viel ze hem in de rede. “Geen mens kan dat volhouden. Wat herinner je je nog wel?”

‘Dat ik met die zilveren naald in mijn hand in blinde paniek over de parkeerplaats van het ziekenhuis rende.’

‘Ja, dat herinnert het hele land zich nu. Die foto staat bovenaan de nieuwswebsites.’

Na de douche had Joep met de pluizige witte handdoek om zijn bovenlichaam rondgekeken in de badkamer. De tegels op de vloer waren in een schaakbordpatroon gelegd, aan de muren zaten kleine witte tegeltjes tot aan het hoge plafond. De inrichting was ouderwets maar in perfecte staat. Hij had met zijn hand zijn haar naar achteren geveegd en zichzelf in de enorme spiegel aangekeken. Het kostte hem moeite, zijn donkere ogen keken beschuldigend naar hem terug.

Haar naam had ze nog steeds niet gezegd. En ook niet dat ze een stel waren, maar zoveel was Joep wel duidelijk geworden. En dat hij zich niet altijd even goed had gedragen. Ze praatte tegen hem zoals je tegen een hondje praat dat telkens op de bank gaat liggen. Je zegt dat het niet mag, maar eigenlijk vind je het hondje te lief om het echt aan te pakken. Maar als je het laat gebeuren, wordt het hondje steeds ongehoorzamer. Op den duur weet hij waar het hondenvoer ligt en hoe hij de kastdeur met z’n neus kan openduwen. Je vindt hem op een onbewaakt moment onder de dekens van je bed. En je beseft pas dat je het hondje te ver hebt laten gaan als het bewusteloos naast de lade met snoep ligt, en je de half opgegeten chocoladereep ziet.

10

Joep en het meisje liepen nog steeds door het park. Het idee dat hij geen idee had met wie hij precies was, terwijl het meisje alles van hem leek te weten, zat hem niet helemaal lekker. Niks van de omgeving herkende hij, en met elke poging zich iets te herinneren van wat er was gebeurd sloeg de onzekerheid nog harder toe. Toen Joep en het meisje besloten terug te lopen naar het huis, twijfelde hij of hij nog een poging zou wagen haar te vragen wie ze nou eigenlijk was. Toch besloot hij het niet te doen. Wie weet is alles na een nachtje slapen weer helder, en hoe gênant zou het dan zijn om de naam van zijn vriendin, daar leek het althans op, te hebben gevraagd?
            Eenmaal terug aangekomen bij het herenhuis gaf de klok al half elf aan. Ruim twee uur hadden ze gewandeld door het park, gevoelsmatig duurde de wandeling voor Joep niet meer dan een kwartiertje. ‘Ik ga thee zetten, wil je ook?’ vroeg het meisje. ‘Ehm, ja, lekker,’ zei Joep. In een poging niet te laten merken dat hij zich amper wat kon herinneren, vroeg hij om dezelfde smaak thee als het meisje. Terwijl zij thee aan het zetten was, liep Joep door de enorme woonkamer heen. Talloze dure schilderijen versierden de muur en boven de tafel hing een gigantische gouden kroonluchter. Hoewel Joep onder de indruk was van de kamer en het huis, was er niks wat ook maar een klein beetje een herinnering opriep. Geen boeken, geen foto’s en zelfs de naam op de ongeopende brief die op tafel lag deed geen lampje branden. ‘Eén nachtje slapen, dan is alles weer terug,’ sprak Joep zichzelf zachtjes toe, stiekem wetend dat die kans heel klein is.
            Het meisje zette de warme thee op tafel en deed wat suiker in het kopje van Joep. ‘Je ziet er moe uit, misschien moet je zo maar naar bed gaan.’
             Hoewel Joep zich door alles wat er was gebeurd en door alle onzekerheid niet echt tijd heeft gehad om zich druk te maken over zijn vermoeidheid, besefte hij dat hij alweer ruim zestien uur wakker was. Hij dronk de thee op en stond op, wenste het meisje welterusten en liep naar de kamer die het meisje hem had laten zien. Eindelijk had hij weer even een momentje voor hemzelf, waarin hij rustig kon overdenken wat er die dag allemaal was gebeurd. Hij praatte zichzelf opnieuw moed in dat alles goed zou komen, dat alles weer normaal zou worden wanneer hij de volgende ochtend wakker zou worden.
            Op het moment dat Joep in zijn fris opgemaakte bed wilde gaan liggen, hoorde hij een zacht, brommend geluid. Het geluid leek van buiten te komen, dus liep hij richting het raam in de kamer en sloeg de gordijnen opzij. Het geluid werd harder, en het geluid van een automotor werd steeds duidelijker hoorbaar. Vanuit het raam keek Joep uit over de zwak verlichte straat, terwijl hij in de verte een auto de hoek om zag komen. De zwak verlichte straat werd in één keer een enorme zee van licht door de felle koplampen van de auto, die heel snel dichterbij kwamen.  De auto stopte – en Joep had al zo’n vaag voorgevoel – recht voor het Herenhuis. Een man stapte uit en liep richting de deur. Nog voordat hij had aangebeld, had het meisje de deur al opengedaan en liet ze de man binnen.  Dat het meisje die avond bezoek verwachtte, dat was voor Joep nu wel duidelijk. Het oprechte advies van het meisje om naar bed te gaan klonk opeens niet meer zo oprecht.


11

Enige tijd is het stil en er waait een ijzige wind door de haren van Joep. Er loopt een rilling van zijn tenen tot zijn hoofd. Het idee dat een nachtje slapen al zijn problemen zou oplossen, was volledig weggevaagd. Het lijkt donkerder te worden in zijn kamer en de vlieg die eerst nog vrolijk rondvloog, ligt nu levenloos voor zich uit te staren op de ventilator. Hij denkt aan het meisje en de vreemde man die zojuist het herenhuis binnen getreden is. Nare herinneringen vullen de gedachtes van Joep. Weer een ijzige windvlaag vult de kamer. Joep loopt naar het raam om het te sluiten en weet het zeker; hij moet hier weg, nu meteen!
            Voetstappen op de trap verbreken de stilte in de kamer van Joep. Stapje voor stapje komt het geluid dichterbij. Hij hoort de stem van het meisje en de stem van de man, ze praten tegen elkaar. Joep kan het niet verstaan. Hij weet niet wat ze van plan zijn, maar een voorgevoel en wat vage herinneringen vertellen hem dat hij dit niet moet vertrouwen. Vluchten via de deur kan niet meer, want hij hoort de stemmen steeds dichterbij de deur komen. Uit het raam springen is geen optie, het is te hoog en hij zou minstens allebei zijn benen breken. ‘Het slot, ik moet de kamer op slot doen, dat geeft me extra tijd,’ mompelt Joep in zichzelf. Volledig in paniek rent hij naar de deur, maar nog voor hij het slot bereikt, struikelt hij in alle haast over het suède rode tapijt. Joep kruipt omhoog en weet niet wat hij ziet. Onder het tapijt verschijnt een luik, zo’n luik wat je alleen in de meest slechte films tegenkomt. Hij herpakt zich en krijgt net op tijd het roestige schuifje van de deur opzij geschoven. De deurklink wordt omlaag geduwd, maar de deur zit op slot. ‘Joep… Joep, slaap je al?’ Maar Joep is al vertrokken door het luik.

Kreunend van de pijn wordt Joep wakker op een stenen vloer, koud en ruw. Hij opent zijn ogen en voor een paar seconden weet hij niet meer wat er gebeurd is. Hij heeft een flinke klap gemaakt en moet minstens twee meter naar beneden gevallen zijn door het luik. De sterretjes voor zijn ogen verdwijnen langzaam en het bonzende gevoel in zijn hoofd trekt weg. Een muffe geur vult de ruimte en stof vliegt in het rond. Joep kijkt om zich heen, probeert op te staan, maar hij stoot gelijk zijn hoofd. Het lijkt wel een ondergrondse kruipruimte waar hij terecht gekomen is.
            Hij denkt aan het meisje en aan de vreemde man en bij de gedachten dat zij de deur zo kunnen forceren en het verborgen luik waarschijnlijk wel kennen, begint Joep te kruipen. Zijn knieën branden van de ruwe vloer en na enige tijd laat hij een spoor van bloed achter. Na twintig minuten kruipen, komt hij in een enorme ruimte terecht. In tegenstelling tot de nauwe gangetjes, is de ruimte massief en wel drie meter hoog. Hij staat op en schijnt bij met de zaklamp van zijn nieuwe Nokia 7.2. ‘Wat is dit nou!’ roept Joep. Zo ver hij kan kijken hangen er portretfoto’s aan de muur in zwarte houten lijstjes. Onder elk lijstje staat een datum en een naam. Joep bekijkt tientallen foto’s met namen en datums. ‘Zijn het oorlogsslachtoffers, sterfdatums, oude bewoners van dit huis?’ Joep kan alleen maar speculeren. Alles schiet door zijn hoofd, maar hij weet het antwoord niet. Hij loopt naar de volgende muur en even lijkt het of zijn longen op slot schieten. De muren lijken op hem af te komen en hij snakt naar adem. Daar, recht voor hem, op nog geen halve meter afstand, hangt zijn foto. ‘Karel 10-5-2020’ leest Joep onder de foto, de datum van vandaag. ‘Dit kan niet!’ roept Joep en hij begint te trillen van angst. ‘Ik heet toch Joep? En waarom staat daar de datum van vandaag, wat heeft dit te betekenen?’


12

Joep sluit even zijn ogen en haalt een aantal keer diep adem. Karel… Vijf letters die zijn hersens laten kraken, speurend naar een connectie. Die naam zal toch niet zomaar onder zijn foto zijn gezet? Joep kijkt nog eens goed naar zijn portret aan de muur. Terwijl hij zichzelf aanstaart probeert hij zich te herinneren wanneer de foto moet zijn gemaakt. Uit de schouderlengte van zijn haar maakt hij op dat het minimaal een halfjaar geleden moet zijn geweest, aangezien hij sindsdien een kort kapsel heeft. Het kledingstuk dat hij draagt herkent hij wel direct. Het witte linnen overhemd was een cadeau geweest. Van haar. Meegenomen van een vakantie, speciaal voor hem. Een steek van pijn, verdriet en boosheid schiet door hem heen. Hij schudt z’n hoofd, nee, hij moet nu niet afdwalen maar scherp blijven. Joep loopt nog eens langs de andere portretten die aan de muur hangen, koortsachtig op zoek naar verbanden tussen de personen die erop staan en de data die eronder vermeld zijn. Het zijn mannen, vrouwen, jong, oud, sommige knap, sommige uiterst onaantrekkelijk. Zouden al deze mensen ook een andere naam dragen dan de onderschriften onder hun foto’s vermelden? En de data? Joep merkt op dat de foto’s niet alleen chronologisch geordend zijn, maar dat elke datum steeds vijf dagen verschilt van die van de voorafgaande foto. Met de zaklamp van zijn mobiel schijnt hij naar de andere kant van de ruimte, waar vermoedelijk de oudere portretten hangen. De diversiteit van de mensen die erop zijn afgebeeld is onverminderd groot. Joep gaat ze weer stuk voor stuk langs. Tussen iedere foto zit wederom steeds een vijftal dagen, maar ook hier herkent hij niemand. De gezichten zijn voor hem niet anders dan die van willekeurige passanten op straat. Dan opeens blijft zijn hand steken bij de volgende foto. Zijn adem stokt. Ziet hij dit nu goed? Joep 10-5-2018. Zijn naam. Dezelfde dag als vandaag, twee jaar geleden. Het staat er echt. De man op de foto komt Joep echter niet bekend voor. Hij is van zijn leeftijd maar lijkt met zijn bruine ogen en bebaarde gezicht allerminst op hem. Hij is gespierd en de donkere kleur van zijn borsthaar contrasteert met zijn witte overhemd waarvan de bovenste knoopjes geopend zijn. Joep kijkt nog eens goed. Naast hun leeftijd is er misschien toch wel degelijk een overeenkomst tussen de man en hem. Joep houdt zijn telefoon met de zaklamp nu zo dichtbij dat deze de foto bijna aanraakt. Die kleur. Die stof. Maar… Het zal toch niet?
Dan opeens wordt het zwart.


13

Joep opent zijn ogen en ligt plotseling voor zijn stamkroeg de Gaeper in Amsterdam. Joep kwam hier altijd met zijn studievereniging Helios, maar hij is er al een tijd niet meer geweest. Hoe hij er nu dan ook terecht is gekomen weet hij niet. Het voelt alsof hij lang geslapen heeft, maar waar en wanneer hij in slaap is gevallen kan hij zich niet herinneren. Dronken is hij zeker niet. Hij is compleet in de war en voelt zich paniekerig. Er zit een zwarte vlek in zijn geheugen. Het café is een fijne plek en hij heeft heel veel fijne herinneringen aan de donderdagavonden in het café. In deze situatie heeft hij daar nu alleen geen aandacht voor. Om tot rust te komen besluit Joep toch een drankje te doen. Hij gaat aan de bar zitten en vraagt om een Radler bij Bob die er blijkbaar nog werkt. Net als in zijn studietijd krijgt Joep een glas water in zijn handen gedrukt, de barman verstaat het zelfs een aantal jaar later niet. Radler en water klinken toch helemaal niet hetzelfde? Joep laat het er bij, misschien is het ook beter om vanavond even geen alcohol te drinken en zich opwinden over een drankje heeft nu geen prioriteit. Gedachteloos kijkt hij wat rond in het café waar maar weinig mensen aanwezig zijn, het is duidelijk geen studentenavond. Buiten staat een groepje mensen te roken, een vervelende man valt ze lastig met rozen en een polaroid camera. Er verandert ook niets hier. Zelfs de ‘kaastengels’ in plaats van ‘kaasstengels’ staan nog op het menu, of dat nu expres is gedaan weet hij na al die jaren nog niet. Het is nu ook niet belangrijk, hij is met een belangrijkere vraag bezig: waar komt hij vandaan en hoe is hij hier opeens wakker geworden? Joep is zo druk met antwoorden zoeken dat hij niet merkt dat er iemand naast hem is komen zitten. Pas als de man bij het uitdoen van zijn jas tegen zijn glas Fanta van de bar tikt, merkt Joep dat er iemand naast hem zit. Wat een sukkel denkt Joep boos, maar als hij naar de man kijkt verdwijnt die gedachte. De man heeft een bekend gezicht, maar waarvan zou Joep hem moeten kennen? De man biedt zijn excuses aan en biedt Joep een drankje aan. Hij krijgt een cola van de man en zo raken ze aan de praat. De man is ongeveer even oud als Joep, maar qua uiterlijk totaal anders, hij heeft een baard, bruine ogen en een gespierd lichaam. Het strakke witte overhemd staat hem goed en Joep voelt meteen een klik. De twee heren lijken qua gedrag en interesses op elkaar. En dat bekende gezicht, waar kent hij deze man toch van? Die vraag blijft de hele avond door zijn hoofd spoken en hoe lang het gesprek ook duurt, Joep kan geen antwoord vinden. Het is alsof hij helemaal niets meer weet van de afgelopen dagen, het is een eng idee dat hij hier net wakker werd zonder ook maar een enkele herinnering aan de afgelopen dagen. Inmiddels is het al behoorlijk laat, maar Joep wil nog niet naar huis, hij is te onrustig en praten met de man is een fijne afleiding. Er is echt een connectie tussen de mannen en na sluitingstijd blijven ze buiten hangen. Na een lange avond nemen de mannen afscheid van elkaar, maar niet voordat de man zijn Instagram op een bierviltje schrijft, “slide in mijn DM” staat er groot onder. Thuis opent Joep zijn telefoon om de man te zoeken, op het homescreen van zijn IPhone staat 11-05-2018 5:49. Joep was erg moe van de lange en rare avond, maar nu is hij meteen helemaal wakker. Zijn hart klopt in zijn keel. Hij weet zeker dat het 2020 was. Joep probeert met veel moeite rustig te blijven en leest het bierviltje met de gebruikersnaam van de man, snel tikt hij de naam over. Zijn vingers trillen en zijn nat van het zweet. In de bio van de man staat dat hij Joep heet, en hij is zelfs even oud als Joep. Dit is geen toeval, Joep weet alles weer. De man waarmee hij net wat drankjes heeft gedaan is de man van de foto uit die rare galerij waar hij geweest is. De datum die onder de foto stond is de datum van de ontmoeting net. Het zweet breekt hem uit, wat is hier aan de hand? Joep moet de man zo snel mogelijk weer zien, heeft hij de antwoorden op zijn vragen? Wie waren de mensen op de foto’s? Wat waren de namen onder die foto’s? En hoe kan het dat Joep terug in de tijd is gegaan bij het aanraken van de foto met zijn naam? Geen wonder dat alles in de Gaeper nog hetzelfde was. Er is hier iets heel erg mis en Joep moet zo snel mogelijk ontdekken wat.

14

In romans vindt Joep het nogal een vervelende plottwist als alles een droom blijkt te zijn. In dit geval zit er niets anders op. Lucide dromen zijn dromen waarin je jezelf nog kunt bestuderen, waar je je nog bewust bent van je lichaam en vooral van het feit dat je droomt. Je kunt in dromen in slaap vallen, maar ook wakker worden, nog even verder dromen en vervolgens opnieuw wakker worden. Zijn moment van ontwaken voor de Gaeper was dan ook niet de eerste ontwaking van die nacht.
            Voorzichtig voelt hij met zijn hand aan zijn wang. Hij legt zijn handpalm op zijn voorhoofd, warm, maar niet zorgelijk. Hij heeft zich de afgelopen weken aangeleerd constant te blijven checken op ‘klachten’, ook al wist hij niet precies wat dat inhield. Klachten zijn iets subjectiefs, vond hij, de pijngrens ligt immers bij iedereen anders. En wanneer verandert ‘warm’ precies in ‘heet’?
            Hij besluit een wandeling te maken om alles op zich in te laten werken. Inmiddels is hij vergeten in welk stadium van de nacht of de droom hij zich bevindt. Af en toe kijk hij naar zijn handen maar voor hij zich echt kan realiseren wat hij ziet verandert er iets in zijn omgeving. Hij slaat een paar keer de hoek om en loopt over een gracht. P, K, H, S, alles loopt door elkaar (K S H P?) hij probeert alle ezelsbruggetjes die hij kent in zijn hoofd te herhalen om maar het gevoel van richting te behouden. Hij speelt een spel met zijn eigen gedachten: telkens als hij uit heeft gevonden waar hij zich begeeft slaat hij een zijstraat in, terwijl hij in de zijstraat loopt bedenkt hij de gracht waar hij zich vervolgens moet bevinden. Van P naar K, dat kan niet anders – maar wanneer hij ineens voor het P.C. Hoofthuis staat weet hij niet meer precies wat de gracht was waar hij vandaan kwam.
            In zijn zak voelt hij zijn iPhone trillen. Het is inmiddels 6:30, zijn wekker gaat om 8:30 (hij heeft zichzelf nogal een strak ritme aangemeten ‘omdat je anders helemaal verdwaald raakt in je dagen,’ aldus zijn moeder) – en Eva Vrijdag belt. Het duurt even voor hij begrijpt wie het is, hij geeft de meisjes die hij ontmoet in het café vaak de achternaam van de dag waarop hij ze sprak, zodat hij zich naast haar gezicht ook de gesprekken van de avond kan herinneren. Of althans, dat is de poging, het gebeurt hem vaker dan hem en de meisjes lief is dat hij volledig vergeten is wat ze studeren of welke hobby hij bij haar verzonnen had.

“Eva, hé,” zegt hij rustig wanneer hij de telefoon opneemt. “Joep? Hoor je me? Gast! Ik heb je 6 keer gebeld in het afgelopen half uur, waarom neem je je telefoon niet op?” Joep stamelt wat, maar voor hij woorden uit kan brengen vervolgt Eva haar verhaal: “Ik sta nu voor je huis. Ik fietste toevallig voorbij, geloof me alsjeblieft,” lacht ze nog, “ik wilde kijken of je nog wakker was ­– maar er ligt een man in een slaapzak tegen je deur te slapen. Of, lag, eigenlijk. Ik heb hem wakker gemaakt en hij zegt je te kennen. En niet alleen kennen, sorry als dit raar klinkt, maar hij zegt je te zijn. Ja,Joep gaat op een stoeprand zitten. Met elk woord dat Eva zegt begrijpt hij er minder van. Dit was precies waarom hij nog even een wandeling wilde maken, in de hoop dat deze nacht van richting zou veranderen wanneer hij fysiek van richting zou veranderen. Blijkbaar begrijpt hij toch slechter hoe dit soort situaties werken dan hij dacht.

15

Zou het weer een van de zwervers zijn? dacht Joep. Vanaf het moment dat hij de wereld beving met zijn atmosferische pianospel liggen er af en toe zwervers in slaapzakken voor de deur. Sommigen vragen gewoon om een aalmoes, maar anderen hebben – bij gebrek aan geld voor een barbier – net zo’n baard laten groeien als hij heeft, maar dan dus smerig. Die mannen in slaapzakken beweren zijn verloren tweelingbroer te zijn. En als er iemand langskomt, vaak vroeg op de morgen, zeggen ze tegen de enkele voorbijganger Joep zelf te zijn.
            Joep staat op van de stoeprand. Aan zijn ene kant ligt nog zijn telefoon en aan de andere kant een patatje pinda. “Waar komt dat dan vandaan?” Hij zal het wel gekocht hebben bij een snackbar die nog open was. Het ziet er niet heel appetijtelijk uit, maar er komt nog stoom van de pindasaus. Het zal wel hartstikke vers zijn. En zo niet, dan ga je van een kleine portie vast niet dood. “Goed voor de weerstand!” en Joep trekt een lange gele friet uit de bruine, dampende drek.
            Hij moest maar weer richting zijn huis gaan. Eva’s telefoontje had hem onzeker gemaakt, maar ook nieuwsgierig. En als hij weer dichter bij huis zou komen, zou de droom misschien ook wat minder vaag worden. Kennelijk had Joep al een flink eind gelopen vanaf de Gaeper. Hij stond nu op de Keizersgracht. “P-K-H-S. Okay, nog eentje dan. En dan ga ik naar huis.”
            Thuis aangekomen ziet hij Eva voor de deur staan. “Eef, wat doe jij hier? Het moet nog licht worden. De zon is nog niet op!” Zijn gedachten vervaagden en in zijn hoofd riep Eva terug dat ze voor hem was gekomen. Ze zouden er samen vandoor gegaan, zij tweeën. De vrijheid tegemoet – Joep had al jaren stiekem een crush op Eva, maar ze had altijd een vriendje gehad. Tot dus een maand geleden. Dus Joep componeren op zijn piano, een prachtige sonate was het geworden, voor Eva. Dan herinnert hij zich het telefoongesprek van net. “Per ongeluk langsgefietst”, had ze gezegd. Op de basisschool had zijn juf het hem al vaak verteld als Joep voor zich uit zat te staren in de klas. “De meeste dromen zijn bedrog, Joep.” Nou, hij had het geweten. Dit was één bedrieglijke droom! – Goh, die juf Leontien.. hoe zou het met haar zijn?
            Zijn weemoed maakte plaats voor adrenaline, toen Joep zich de aanleiding van het telefoontje herinnerde. Er had een vreemde man voor zijn deur gelegen, vast een van de zwervers. Maar deze had tegen Eva gezegd dat hij Joep was. “Waar is die man naartoe gegaan? Dei zei dat hij mij was?” vroeg Joep. “Hij haalde jouw sleutels uit zijn zak en ging naar binnen, douchen.” “Deze droom wordt me te gek” zei Joep. “Ik houd al niet van dromen – de meeste zijn toch bedrog, juf Leontien zei het vroeger al – en nu word ik wakker voor de deur van de Gaeper; loop ik eindeloos rondjes door het centrum; bel jij me op dat er een vreemde man voor mijn deur ligt en nu staat diezelfde rare man in mijn huis te douchen. Wat moet ik nu?”

16

Nog voor Eva kon antwoorden ging het licht in de hal aan en viel door de deuropening een straal licht die de straat beter verlichtte dan de defecte straatlamp kon. Hij kon Eva nu goed zien. Ze had tot zijn verbazing nog haar blauwe joggingbroek onder haar jas aan, een aparte keuze voor iemand die diep in de nacht gewoon ergens langsfietst. Maar voordat hij hier verder over na kon denken werd zijn aandacht getrokken naar de man in de deuropening Dat was vreemd. De man leek echt op hem. Hij had hetzelfde warrige haar al was het zijne nog nat van het douchen. Zijn baard was ook beter bijgewerkt dan al die andere zwervers, hij had vast zijn baardtrimmer gebruikt die hij op de wastafel had laten liggen. De zwerver had zelfs het lef om zijn badjas te pakken.

“Wat denk jij hier te doen?” vroeg Joep, zijn nervositeit verbergend door zo luid en langzaam mogelijk te spreken. “Waar haal jij het gore lef vandaan om in mijn huis te gaan douchen?” De zwerver keek hem raar aan, hij leek de situatie niet te begrijpen. “Ik wil dat jij nu oprot uit mijn huis of anders bel ik de politie!” Zijn stem begon zijn kracht te verliezen. De laatste woorden kwamen er schokkender uit dan Joep gehoopt had. De man zei niks, maar liep langzaam naar buiten, ging tussen Joep en Eva instaan. “Ga snel naar binnen,” zei hij tegen Eva. Ze volgde de aanwijzing snel op een haastte zich naar de deur. Joep wist even niet wat hij moest zeggen. Waarom luisterde ze naar die zwerver?

“Ik weet niet wat jouw probleem is, maar wij hebben nu genoeg van jouw fratsen,” zei de zwerver tegen hem terwijl hij zijn linker vuist langzaam begon te ballen. “Al dagenlang zien we je hier ’s nachts rondlopen en elke keer als we de deur uitgaan zie ik jou wel ergens in een hoekje rondlurken. Als het aan Eva lag hadden we allang de politie gebeld, maar ik had altijd al medelijden met mensen zoals jij en ik wilde je het leven niet nog moeilijker maken. Maar nu ben ik er echt klaar mee, als ik je nog één keer zie zal ik echt de politie bellen.” De nervositeit die Joep eerst nog had was nu volledig vervaagd. Het enige wat hij nu nog voelde was woede. Hoe durfde die zwerver te doen alsof hij Joep was? Stap voor stap naderde hij de zwerver, wat hij van plan was om te doen wanneer hij aankwam wist hij echter niet. “Joep laat die zwerver en kom naar binnen,” riep Eva vanuit de deuropening. Maar ze keek niet naar Joep, ze keek naar zijn dubbelganger. Hij had haar dus al om de tuin geleid, misschien had ‘ie iedereen die hij kende zelfs al wijsgemaakt dat hij Joep was.
            Hij had nog nooit de neiging gehad om iemand pijn te doen, dat lag niet in zijn aard, maar deze zwerver verdiende het. Jarenlang had hij gewacht op het moment dat Eva van hem zou zijn en nu wilde deze man er gewoon met haar vandoor gaan. De zwerver pakte intussen een mobieltje uit zijn badjas en riep tegen Eva dat hij de politie zou bellen. Dat was vast de laatste stap in zijn plan. Als hij Joep uit de weg kon ruimen stond niets hem langer in de weg om zijn leven over te nemen. Joep merkte intussen dat hij veel sneller ging lopen en dat de zwerver ook steeds meer achteruit deinsde. Hij hoorde de zwerver nog vaag een aantal dingen in zijn telefoon roepen voordat hij eindelijk stil was.
            Had hij die steen al sinds de Gaeper met zich mee gedragen? Hij kon zich niet herinneren hem al die tijd in zijn hand te hebben, maar ja, hij kon zich ook niet herinneren dat hij hem toen van de straat had opgepakt. Wat hij zich wel kon herinneren was het geluid dat de schedel van de zwerver maakte toen de steen zich er een weg doorheen baande. Hij herinnerde hem ook dat hij op de stoeprand zat en keek naar hoe het bloed langzaam in het riool stroomde. Hij vond het best ironisch: die zwerver leefde in de goot en stierf in de goot.
            Daarna werd het allemaal een beetje vaag. Badend in rood en blauw licht kwamen twee mannen, die hem een busje in duwden en ergens naartoe reden. Eenmaal aangekomen werd hij in een kamer gegooid en zat daar lange tijd alleen. Was het een uur, een nacht, een dag? Hij had geen idee. Uiteindelijk kwam er een vrouw die hem naar een kamer bracht, waar iemand met een dikke map aan zijn zijde op hem aan het wachten was.

“Ben je je ervan bewust wat er vannacht gebeurd is?”

Wat een domme vraag dacht Joep, natuurlijk wist hij wat er gebeurd is. Een zwerver wilde zijn identiteit stelen en hij stak daar een stokje voor. Wanneer hij het verhaal in uitgebreid detail vertelde, leek de man hem echter niet te geloven. Elke keer wanneer hij iets vertelde knikte de man maar wat af, zonder ook maar enigszins uit te stralen dat hij besefte hoe bizar de situatie was. Hij noteerde alles netjes in zijn map, maar hield zich voor de rest stil.
            Toen Joep klaar was met vertellen, nam de man een document uit de map en keek hem aan met een blik die vriendelijkheid uit probeerde te stralen, maar Joep met een onbehaaglijk gevoel achterliet.

“Zegt de naam Ben Kramer je iets?” vroeg de man hem uiteindelijk.

“Nog nooit gehoord”

De man leek niet verbaasd met zijn antwoord, eerder teleurgesteld. “Dat dacht ik al, dit is namelijk niet de eerste keer dat we dit gesprek voeren. De vorige keer waren de omstandigheden echter niet zo treurig.” Joep had geen idee waar de man op doelde. Tot zover hij wist had hij hem nog nooit gezien en hadden ze zeker geen gesprek gevoerd. De man onderbrak de stilte al snel: “Ben Kramer is jouw naam, je echte naam. Ik ben dokter Verduin, ik heb je tijdens je opname een aantal jaren terug psychisch bijgestaan.” Joep verstond de woorden wel, maar ze kwamen niet echt binnen. Hij was nog nooit opgenomen en had ook nooit psychische klachten ondervonden. “Tien jaar geleden kwam je bij mij in de praktijk nadat je door de politie je had aangehouden op aanklacht van stalken. Na een paar maanden dagelijkse sessies met je te hebben gehad, kon ik erachter komen wat er met je aan de hand was. Je had last van een zeldzame persoonlijkheidsstoornis, die ervoor zorgde dat je geen eigen persoonlijkheid kon aanmaken. Wij noemden het toen een kameleonpersoonlijkheid. Je keek naar mensen, wat ze deden, met wie ze praatten en sloeg dat op. Na verloop van tijd wist je niet beter of dat het je eigen herinneringen waren en waande je je zelfs de persoon in kwestie.”
            Joep kon dit niet langer aanhoren en wilde weglopen. Die zwerver had dus al een heel plan opgesteld om hem uit de weg te ruimen. Joep zou de rest van zijn dagen slijten in een psychiatrische instelling, terwijl die zwerver zijn leven kon leven. Het leven met Eva waar hij al zolang voor streed. “Dit geloof je toch zelf niet?” beet hij de man toe. “Ik kan je alles vertellen over mijn leven. Die man in de goot, dat was de oplichter!” De dokter keek nu niet meer gespeeld vriendelijk, maar leek nu zelfs medelijden te hebben. Dit beviel Joep nog minder. “Probeer dan eens te vertellen wat je de afgelopen dagen hebt gedaan. Ben had hier namelijk moeite mee. Hij zag zijn leven niet echt als iets lineairs. Elke dag had hij wel weer nieuwe dingen in zijn hoofd, nieuwe mensen, nieuwe ervaringen. Dingen die de ene dag nog zo belangrijk voor hem waren kon hij na enkele uren alweer vervangen hebben voor nieuwe dingen. Wat heb jij de afgelopen dagen gedaan ‘Joep’?”
            Joep was klaar om alles te vertellen, maar merkte toen opeens dan hij niet verder kwam dan het woord Eva. Wat was er voor Eva gebeurd, hij was bij de Gaeper toch? Hoe kwam hij daar? Hij probeerde op namen van vrienden te komen, maar kon er geen een bedenken. Had hij wel vrienden? Joep dacht nog lang na maar meer dan de naam Eva kon hij niet uitbrengen. Ook toen de rechter hem vroeg zijn kant te vertellen kon hij niet meer vertellen dan haar naam.

Toen de cipiers hem voor het eerst naar zijn cel brachten zag hij daar al een man zitten. Hij lag op één van de twee bedden in de cel en grijnsde naar hem toen de cipiers de deur achter hem sloten. “Zo dus jij bent hier gekomen om mijn rust te verstoren? Ik vond het eigenlijk wel prima, zo’n grote cel voor mij alleen.” De man stak zijn hand naar hem uit, hij schudde hem ietwat ongemakkelijk terwijl de man verderging: “Ach ja, het is ook wel fijn om weer wat gezelschap te hebben niet waar? Ik ben Jos trouwens.” “Oh wat toevallig,” zei Jos. “Zo heet ik ook”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Mogelijk gemaakt door WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: